Een overzicht van de stof per niveau:

 

EXAMEN A
Theorie: mondeling tijdens het examen toetsen aan de hand van gespeelde stukken

  • notatie en toonstelsel
  • maat-ritme (regelmatig)
  • opnoemen en kennis van toonladders en drieklanken (tonica grondligging) majeur t/m 3# en 3b
  • opnoemen en vanuit notatie herkennen van intervallen tot en met kwint
  • uitvoeringsaanwijzingen (articulatie, dynamiek, tempo, herhalingen
  • enige kennis van eigen instrument
  • receptief inzicht – auditief kunnen onderscheiden van een aantal instrumenten uit verschillende instrumentengroepen.

 

EXAMEN B
Theorie: wordt centraal schriftelijk getoetst

  • notatie en toonstelsel (incl. dubbelalteraties, herkenning octaafgebieden)
  • toonladders en drieklanken (tonica grondligging) majeur en mineur (ook harmonisch en melodisch) t/m 3# en 3b kunnen herkennen en samenstellen, ook vanuit parallelliteit majeur/mineur
  • intervallen rein – klein – groot binnen een octaaf herkennen en samenstellen
  • maat-ritme (regelmatig + onregelmatig + antimetrische figuren)
  • melodie: structuur voor- en nazin kunnen analyseren, aangeven van fraseringen
  • uitvoeringsaanwijzingen (tempo, articulatie, dynamiek, frasering, toevoegingen (bv. piu, meno), karakteraanduidingen, herhalingen en afkortingen-uitgebreid)
  • inzicht in de indeling van de instrumenten naar instrumentgroepen
  • receptief inzicht: op gehoor herkennen van orkestvormen en enige kennis van de bezetting van ensembles, bands en orkesten

 

EXAMEN C
Theorie: wordt centraal schriftelijk getoetst

  • notatie en toonstelsel
  • toonladders en drieklanken, majeur en mineur (oorspronkelijk, harmonisch, melodisch), t/m 4 kruizen en 4 mollen, chromatische toonladder, zigeunertoonladder t/m 1 kruis of mol kunnen herkennen, benoemen, noteren en samenstellen
  • intervallen, ook overmatig en verminderd (benoemen, noteren)
  • drieklanken, ook overmatig en verminderd
  • maatsoorten, zowel regelmatig als onregelmatig
  • antimetrische figuren
  • melodiebouw, frasering en vorm (indelen in muzikale zinnen, globale analyse)
  • uitvoeringsaanwijzingen (dynamiek, tempo, karakter)
  • versieringen
  • kennis van blaasinstrumenten, snaarinstrumenten en slaginstrumenten
  • transponeren en moduleren
  • receptief inzicht – inzicht in de algemene karakteristieken van muzikale stijlperioden van Renaissance t/m eigentijdse muziek en op het gehoor herkennen van composities en muzikale genres.

 

EXAMEN D
Er bestaan twee vormen: een volledig D-examen en een recital.

 

Theorie (alleen bij een volledig D-examen): wordt centraal schriftelijk getoetst

  • notatie en toonstelsel (lezen in andere sleutels en lezen grafische notaties)
  • toonladders en drieklanken, majeur en mineur, t/m 7# en 7b, zigeunertoonladder t/m 3# en 3b kunnen herkennen, noteren, benoemen en samenstellen.
  • chromatische toonladder, hexatonisch en pentatonisch
  • intervallen, overmatig en verminderd, tot en met duodecime noteren, herkennen.
  • drieklanken, overmatig en verminderd, akkoorden en omkeringen
  • maat en ritme
  • melodiebouw, frasering en vorm.
  • uitvoeringsaanwijzingen (tempo en karakter aanwijzingen)
  • versieringen
  • instrumentkennis
  • transponeren, ook naar een andere sleutel / moduleren
  • het noteren van een voorgespeelde melodie

 

Volledig examen D: werkstuk
Voor het volledige D-examen schrijven de D-kandidaten een werkstuk. De begeleiding is in handen van de eigen docent. Het werkstuk moet uiterlijk vijf weken voor de week van de praktijkexamens D zijn ingeleverd bij de coördinator examens. Het niet tijdig inleveren of een onvoldoende resultaat als beoordeling heeft tot gevolg dat de kandidaat het D- examen niet kan afsluiten.

 

Recital: zie praktijkgedeelte D-examen

 

Kijk hier voor alle info over MUZIEKEXAMEN THEORIE EN PRAKTIJK